Actualiteiten

Renovatie winkelruimte

Bij de verhuur van middenstandsbedrijfsruimte (de zogenaamde 7:290 BW-bedrijfsruimte) heeft de Hoge Raad op 14 februari 2014 in de zaak Alofs/Ultimo een belangwekkende uitspraak gedaan ten aanzien van de mogelijkheid om de huurovereenkomst van een winkelruimte te kunnen beëindigen wegens renovatieplannen van de verhuurder, met een beroep op het dringend eigen gebruik. 

De wet bepaalt in artikel 7:296 lid 1 aanhef en onder b. BW (j° artikel 7:300 lid 3 BW) dat een huurovereenkomst door de verhuurder opgezegd kan worden indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde in persoonlijk duurzaam gebruik wil nemen en hij daartoe het verhuurde dringend nodig heeft. De bepaling houdt in dat onder "duurzaam gebruik" ook wordt begrepen renovatie van de bedrijfsruimte die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is. 

De vraag als aan de orde in dit arrest is of de maatstaf welke de Hoge Raad heeft aangelegd voor de beëindiging van de huur van woonruimte (dringend eigen gebruik ten behoeve van renovatie) ook geldt voor de beëindiging van de huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW. 

De Hoge Raad bepaalt in het arrest van 14 februari 2014 dat de voor woonruimte geldende maatstaf niet geldt voor het beroep op dringend eigen gebruik dat van overeenkomstige toepassing is bij de verhuur van middenstandsbedrijfsruimte (ex artikel 7:290 BW). 

Voor woonruimte geldt dat een beroep op dringend eigen gebruik van de verhuurder mag worden gehonoreerd, gelet op het gewicht dat toekomt aan de door het huurrecht beoogde bescherming van de huurder van woonruimte. De enkele omstandigheid dat de exploitatie van het verhuurde in ongewijzigde staat onrendabel is, is onvoldoende voor het aannemen van dringend eigen gebruik bij woonruimte. Voor het aannemen daarvan geldt de strengere maatstaf dat er sprake dient te zijn van een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten van de woning. 

De Hoge Raad heeft bepaald dat bij de bescherming van de huurder van bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:290 BW het gaat om een bescherming van een recht van fundamenteel andere aard, waarbij met name bedrijfseconomische belangen van de huurder en de verhuurder een rol spelen. Het lijkt erop dat de Hoge Raad bepaald heeft dat indien en voor zover de noodzaak van renovatie tussen partijen niet ter discussie staat, niet gevergd kan worden van de verhuurder dat hij een huurovereenkomst van de bedrijfsruimte voortzet die na renovatie leidt tot een niet kostendekkende exploitatie. Niet noodzakelijk is dat de verhuurder aantoont dat de bij woonruimte geldende maatstaf van de structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten bestaat. 

Dit bericht is geplaatst op Woensdag 7 mei 2014 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: