Actualiteiten

Herstel van gebreken door de aannemer

Wanneer na oplevering van een bouwwerk blijkt dat aan het bouwwerk gebreken kleven, en de aannemer gehouden is die gebreken te herstellen, heeft te gelden dat de opdrachtgever de aannemer de gelegenheid moet geven om deze gebreken te herstellen.

Daarover ontstaan vaak geschillen, vanwege het feit dat de opdrachtgever de gebreken liever door een derde wil laten herstellen, de opdrachtgever de aannemer wil voorschrijven op welke wijze het herstel moet worden uitgevoerd of de opdrachtgever wenst dat het herstel leidt tot een betere kwaliteit van het bouwwerk dan overeengekomen in de aannemingsovereenkomst.  

In dit artikel zet ik kort uiteen welke uitgangspunten hebben te gelden in geval van herstel van gebreken waarvoor de aannemer aansprakelijk is. 

Op grond van artikel 7:759 BW dient een opdrachtgever een aannemer de mogelijkheid te geven om zelf de gebreken te herstellen die aan het bouwwerk kleven. De opdrachtgever dient de aannemer daarvoor een redelijke termijn te geven. Dit is alleen anders als van de opdrachtgever niet kan worden gevergd dat de aannemer in de gelegenheid wordt gesteld de gebreken binnen een redelijke termijn te herstellen. Bovendien heeft te gelden dat de wijze van herstel door de aannemer mag worden bepaald.  

De aannemer is daarbij wel gebonden aan de afspraken en eisen zoals deze voortvloeien uit de aannemingsovereenkomst en aan de eisen van goed en deugdelijk werk.  

Als de door de aannemer verrichte herstelwerkzaamheden niet leiden tot definitief herstel van de gebreken, moet in beginsel aan de aannemer de gelegenheid worden gegeven om nadere herstelwerkzaamheden uit te voeren tot de gebreken zijn hersteld. Ook hiervoor geldt dat dit anders is als dit van de opdrachtgever niet meer kan worden gevergd. 

Een opdrachtgever dient zich derhalve te realiseren dat hij de aannemer een redelijke termijn moet gunnen om de herstelwerkzaamheden uit te voeren en dat hij niet dwingend aan de aannemer een herstelmethode moet voorschrijven. Het dwingend voorschrijven van een herstelmethode levert strijd op met artikel 7:759 BW.

Voor opdrachtgevers is het derhalve van groot belang om, als een bouwwerk na oplevering gebreken vertoont, de aannemer in de gelegenheid te stellen deze gebreken te herstellen op een wijze zoals de aannemer die bepaalt. Het lijkt echter in het belang van zowel de opdrachtgever als de aannemer om de uit te voeren herstelwerkzaamheden gezamenlijk, in goed overleg te bepalen. Het dwingend voorschrijven van herstelmethoden wordt afgeraden en is alleen aan de orde als reeds op voorhand vaststaat dat de door de aannemer gekozen wijze van herstel, niet voldoet aan datgene wat is overeengekomen in de aannemingsovereenkomst en/of aan de eisen van goed en deugdelijk werk. 

Als blijkt dat de aannemer de gebreken en het bouwwerk niet definitief kan herstellen, kan de opdrachtgever aanspraak maken op vervangende schadevergoeding. Daaronder kunnen vallen de kosten die de opdrachtgever moet maken voor het inschakelen van een derde ten behoeve van het verrichten van herstelwerkzaamheden. 

Naast de vordering tot herstel c.q. vervangende schadevergoeding, kan een opdrachtgever op grond van artikel 7:759 BW aanspraak maken op vergoeding van de schade die hij lijdt ten gevolge van de gebrekkige oplevering.

Dit bericht is geplaatst op Woensdag 8 februari 2017 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: