Actualiteiten

Strafrecht en Wet op de gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Op 22 maart 2019 deed het Gerechtshof Den Haag voor de tweede maal uitspraak in een strafzaak tegen een leverancier van gewasbeschermingsmiddelen. Deze werd door het Openbaar Ministerie (OM) vervolgd omdat hij in 2013 verschillende niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen op de markt had gebracht.

 

Deze kwestie was eerder voorgelegd aan het Gerechtshof. Toen werd de leverancier veroordeeld. De Hoge Raad zette echter een streep door deze veroordeling en bepaalde dat de strafzaak over moest.

 

Het Gerechtshof vond vervolgens dat het OM de leverancier niet strafrechtelijk had mogen vervolgen. Het OM is dan ook niet-ontvankelijk verklaard. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) biedt de overheid twee sporen om toepassing van niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen tegen te gaan, te weten de oplegging van bestuurlijke boete via het bestuursrecht en strafrechtelijke vervolging. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de Minister) mag de bestuurlijke boetes opleggen en het OM is uiteraard belast met de strafrechtelijke vervolging.

 

De overheid heeft van de wetgever niet de vrije keuze gekregen. De bestuurlijke boete moet het uitgangspunt zijn, strafrechtelijke vervolging komt pas in beeld als sprake is van aanmerkelijke en opzettelijke vormen van illegaal middelengebruik. Het OM en de Minister hebben verschillende regelingen opgesteld waarin zij afspraken hebben vastgelegd over de keuze tussen het bestuurs- en het strafrecht.

 

Dit zijn het Handhavingsdocument uit 2008 en de Sanctiestrategie uit 2011. Het laatstgenoemde is opgesteld door de Minister en het OM heeft zich eraan gecommitteerd. Vervolgens is deze regeling ook op door de wet voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dit betekent dat het OM verplicht is te handelen volgens die Sanctiestrategie.

 

De NVWA, de overheidsinstantie die onderzoek doet naar de naleving van de Wgb, heeft overigens ook een eigen beleid vastgelegd in het ‘Specifiek interventiebeleid’. Dit beleid mag volgens het Gerechtshof geen rol spelen in de keuze tussen het bestuurs- en strafrecht. Dit beleid is immers zelfstandig opgesteld de NVWA, zonder enige betrokkenheid van het OM. In dat geval mag dit beleid geen invloed hebben op vervolgingsbeslissingen van het OM. 

 

De Sanctiestrategie schrijft voor dat er strafrechtelijk wordt vervolgd als er is voldaan aan één of meerdere criteria, te weten

- als er sprake is van gevaar voor mens, dier en milieu

- de overtreding is begaan in georganiseerd verband

- de overtreding is begaan met behulp van malversaties zoals frauduleuze constructies, omkoping of geweld en

- de overtreding tweemaal eerder is begaan.

 

In de onderhavige zaak was van geen van de genoemde criteria sprake. Er was wellicht sprake van merkeninbreuk. De jerrycans waarin de gewasbeschermingsmiddelen in kwestie zaten, waren voorzien van een logo van een fabrikant die de gewasbeschermingsmiddelen niet had geproduceerd. Zijn merk werd dus frauduleus gebruikt. Volgens het Gerechtshof leverde deze merkenfraude echter geen malversatie op zoals bedoeld in de Handhavingsstrategie.

 

Het OM had dit volgens het Gerechtshof moeten onderkennen en had niet tot vervolging mogen overgaan.



Dit bericht is geplaatst op Woensdag 25 maart 2020 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: