Actualiteiten

Niet alleen de belastingplichtige, maar ook een ander kan onder omstandigheden een beroep doen op de 'Inkeerregeling' van de Belastingwet

De 'Inkeerregeling' van art. 69, lid 3, Algemene Wet Rijksbelastingen houdt in dat degene die - kort gezegd - opzettelijk niet, niet volledig of onjuist belastingaangifte heeft gedaan, en die alsnog een juiste en volledige aangifte doet, juiste of volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet, of redelijkerwijs moet vermoeden, dat de Belastingdienst met de onjuiste aangifte bekend is, niet strafrechtelijk daarvoor kan worden vervolgd.

In beginsel is het slechts de belastingplichtige die kan profiteren van de 'Inkeerregeling' en niet een ander, die kennelijk op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan de aan de schuldige verweten gedraging. Onder bijzondere omstandigheden kan echter ook een ander daarvan profiteren, bijvoorbeeld in het geval dat de inkeer is bevorderd door degene die daarvóór op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan de aan de belastingplichtige verweten gedraging.

Daarnaast kunnen onder bijzondere omstandigheden ook de beginselen van een behoorlijk procesrecht meebrengen dat, indien vervolging ter zake het fiscale misdrijf op grond van de 'Inkeerregeling' is uitgesloten, niet toch nog op grond van hetzelfde feitencomplex vervolgd zou kunnen worden op grond van de 'witwasbepalingen' (Hoge Raad, 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:555).



Dit bericht is geplaatst op Dinsdag 12 april 2016 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: