Actualiteiten

Hoge Raad maakt er een potje van

In een uitspraak van 11 april jl. heeft de Hoge Raad in een beklagprocedure met betrekking tot een auto een wel heel vreemde uitspraak gedaan. 

Een klager had de rechtbank verzocht een in beslag genomen auto aan hem terug te geven. Hij had daarbij vermeld dat die auto eigendom was van zijn broer en hij deze van die broer geleend had, terwijl die broer geen bezwaar had tegen teruggave van de auto aan klager. 

De officier van justitie was het daarmee eens en had de rechtbank geadviseerd de auto aan klager terug te geven. De rechtbank had merkwaardigerwijs klager echter niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift en had daarbij overwogen dat de wet niet de mogelijkheid kent een in beslag genomen voorwerp aan een ander terug te geven dan degene onder wie het in beslag genomen is. Dat was hier ook helemaal niet aan de orde, omdat klager had verzocht die auto aan hem zelf terug te geven. 

Wat doet de Hoge Raad? Deze oordeelde dat de rechtbank daarmee kennelijk het klaagschrift zo had uitgelegd, dat het de bedoeling was de auto via klager aan diens broer terug te geven en dat zou volgens de wet dus niet kunnen. Als de Hoge Raad echter het klaagschrift goed zou hebben gelezen, had hij gezien dat klager had verzocht om de auto aan hem terug te geven. Wat hij er verder mee doet, zou helemaal niet mogen uitmaken. Daarom kan gezegd worden dat de Hoge Raad er in deze zaak dus een potje van heeft gemaakt (HR, 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:655).

Dit bericht is geplaatst op Woensdag 3 mei 2017 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: