Actualiteiten

Faillissementsfraude

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 15 maart 2018 een verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren veroordeeld voor onder meer faillissementsfraude.  

De verdachte was bestuurder van twee rechtspersonen. Deze trokken gelden aan van beleggers met het doel om deze te investeren in teakhout. De gelden werden in de jaren 1996 en 2006 aangetrokken. Van het totaal van 70 miljoen euro aan ingelegd geld, werd 20 miljoen euro geïnvesteerd in grond en de aanplant van teakhout.  

Kennelijk liep het slechter met deze investeringen dan op voorhand verwacht. In de loop van 2000 en latere jaren werd duidelijk dat de aangekochte gronden ongeschikt waren voor bosbouw, dat de omzet van de inleg door de beleggers terug liep en dat de kosten van de een van twee rechtspersonen gedurende verschillende jaren nagenoeg gelijk waren aan de omzet. Sinds 2006 kwamen er ook geen gelden van beleggers meer binnen en de media besteedden negatieve aandacht aan beleggen in teakhout. En AFM had in oktober 2007 het voornemen om de aanvraag voor de vergunning die nodig was voor deze beleggingsconstructie, af te wijzen.  

Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat op het moment dat de AFM het voornemen meedeelde om de vergunningaanvraag af te wijzen, de rechtspersonen al enige jaren onvoldoende inkomsten hadden en teveel kosten, onvoldoende vermogen hadden om te investeren of om op termijn de investeerders terug te betalen en onvoldoende liquiditeit hadden om aan lopende verplichtingen te voldoen. Desondanks bleef de verdachte als bestuurder gelden van de rekeningen van de rechtspersonen overboeken en opnemen, zonder enige specificatie en kennelijk zonder geldige titel. Voor wat betreft de overboekingen en contante geldopnamen die zijn gedaan na de mededeling van de AFM, bestond er dus een aanmerkelijke kans op een faillissement van de rechtspersonen. De verdachte aanvaardde met de overboekingen en opnames, gedaan na deze mededeling, welbewust de aanmerkelijke kans dat hij daarmee de schuldeisers van de rechtspersonen zou benadelen. Dat levert faillissementsfraude op. 

Faillissementsfraude hield voorheen in dat de rechtspersoon of diens bestuurder handelde ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon’. Met andere woorden: handelen met het opzet om de schuldeisers financieel te benadelen. In 2016 zijn de bepalingen die faillissementsfraude strafbaar stellen, gewijzigd. Nu luidt het criterium ‘wetende dat hierdoor (gelden aan de boedel onttrekken of een van de schuldeisers ‘voortrekken’) een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’.  

Het nadeel dat in deze zaak aan de schuldeisers van de rechtspersonen is toegebracht, komt neer op 2 miljoen euro. Bij zo'n benadelingsbedrag hoort volgens het geldende straftoemetingsbeleid dat rechters aanhouden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tenminste 24 maanden. Het hof legt deze straf echter geheel voorwaardelijk op vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop sinds het plegen van deze fraude.  

Bron:ECLI:NL:GHSHE:2018:1129

Dit bericht is geplaatst op Dinsdag 20 maart 2018 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: