Actualiteiten

De Roermondse burgemeestersaffaire

Terwijl de strafzaak tegen de oud-wethouder Jos van Rey nog bij de rechtbank aanhangig is, is er op één van de onderdelen van die zaak een niet-onbelangrijke ongelijke snelheid ontstaan met de zaak van de voormalige Roermondse burgemeesterskandidaat Offermans.

Deze werd in maart 2015 in hoger beroep veroordeeld wegens medeplichtigheid aan het opzettelijk schenden van geheime informatie. Volgens de verdenking zou de toenmalig wethouder Jos van Rey, die als adviseur was toegevoegd aan de vertrouwenscommissie, aan de kandidaat-burgemeester hebben verteld welke vragen hem in het sollicitatiegesprek met die commissie gesteld zouden worden en met welke antwoorden hij indruk zou maken. De commissie zou vervolgens na de gesprekken met alle kandidaat-burgemeesters de gemeenteraad omtrent een benoeming adviseren.

Voor alle betrokkenen was van meet af aan glashelder dat alles wat in de vertrouwenscommissie besproken werd onder een strikte geheimhoudingsplicht viel. Dit was door de commissaris van de Koningin in de provincie Limburg ook nog eens benadrukt.

Het hof vond dat Offermans medeplichtig was aan het schenden van geheime informatie, doordat hij Van Rey gelegenheid had geboden diens geheimhoudingsplicht te schenden. Hij had dat gedaan door aan Van Rey een sms-je te sturen, waarin hij deze had uitgenodigd om iets te zeggen over de selectie van de kandidaten, waartoe hijzelf ook behoorde. Daarnaast was afgesproken dat men, voorafgaand aan het sollicitatiegesprek, nog contact met elkaar moest hebben. Dat contact zou echter via een ander telefoontoestel plaatsvinden, omdat men dat veiliger vond. In dat contact, de avond voor het sollicitatiegesprek, had hij aangegeven dat hij wel even voldoende wist. Het hof vond dat Offermans in dat stadium kenbaar had kunnen en moeten maken dat hij geen informatie van Van Rey wenste te verkrijgen, gezien diens positie als adviseur van de vertrouwenscommissie.
Hij had echter op geen enkel moment in de contacten met Van Rey aangegeven dat hij geen kennis wenste te nemen van de door deze verstrekte informatie. Bovendien had hij zelf gevraagd naar het standpunt van één van de leden van de vertrouwenscommissie.

Het hof moest niets weten van het standpunt dat het spreken met partijgenoten over de gang van zaken gedurende een sollicitatieprocedure normaal is en moest worden gezien als "klankborden". Het hof vond dat het handelen van zowel Offermans, als Van Rey zich niet verdraagt met de binnen het openbaar bestuur geldende integriteitsnormen, die er onder meer van uitgaan dat politieke ambtsdragers het algemeen belang dienen en hun taken onbevooroordeeld en objectief vervullen.

Deze uitspraak werd aan de Hoge Raad voorgelegd, waarbij Offermans zich erover beklaagde dat het hof het begrip "medeplichtigheid" veel te ver had opgerekt, omdat hij niet meer of anders had gedaan dan het aanhoren en aannemen van informatie over de te verwachten gang van zaken tijdens het sollicitatiegesprek voor de vacature van burgemeester van Roermond.

De Hoge Raad, die dinsdag 28 juni 2016 in deze zaak uitspraak deed, maakte korte metten met de klacht en citeerde uitvoerig uit de uitspraak van het hof, waaruit immers duidelijk bleek dat het niet uitsluitend ging om het aanhoren van informatie, maar ook van de actieve rol die Offermans daarbij zelf had gespeeld en dat het bepaald niet zo was, zoals Offermans had gesteld, dat hij in het contact dat hij met Van Rey had door deze was overvallen met die informatie.

Deze uitspraak is voor de nog lopende strafzaak van Jos van Rey daarom niet zonder belang, omdat de Rotterdamse rechtbank in die zaak het verzoek van de verdediging tot het als getuige horen van minister Plasterk onlangs toewees. In verband met een tweet van de minister, inhoudende: "Iedereen doet aan klankborden" is niet waar". Volgens de rechtbank reageerde de minister met die tweet op de kern van een belangrijk verweer van Van Rey in de zaak van de burgemeestersbenoeming, namelijk dat er binnen de partijen vrijelijk wordt geklankbord. De minister had dat volgens de rechtbank kennelijk meegedeeld op grond van zijn ervaring bij voordrachten van burgemeesters. Van Rey had daarom volgens de rechtbank een duidelijk belang bij het horen van de minister.

Het lijkt er echter sterk op dat dat belang met deze uitspraak van de Hoge Raad is komen te vervallen, nu daarmee in feite door de Hoge Raad impliciet bevestigd is, hetgeen reeds eerder door de officier van justitie in die zaak werd opgemerkt, te weten dat er geen sprake is van klankborden, maar van ordinair vals spelen.

De betreffende uitspraak vindt u hier: Hoge Raad, 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1330.

Dit bericht is geplaatst op Donderdag 30 juni 2016 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: