Actualiteiten

Dienstenrichtlijn van toepassing op detailhandel

Op 30 januari 2018 heeft het Europese Hof van Justitie in Luxemburg een uitspraak gedaan in de zaak over de mogelijke vestiging van winkelruimten (ECLI:EU:C:2018:44).  

Het Hof van Justitie heeft in deze uitspraak prejudiciële vragen beantwoord die door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan het Hof zijn voorgelegd over de Europese Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123) in relatie tot detailhandel en goederen.

De dienstenrichtlijn heeft -kort gezegd- als doelstelling dat dienstverleners zich in Europa onbelemmerd kunnen vestigen of diensten kunnen verrichten. De toegang tot of de uitoefening van de dienstenactiviteit mag in principe niet worden beperkt of afhankelijk gemaakt van (discriminatoire) eisen.  

In een kwestie in Appingedam speelde in een bestemmingsplanprocedure de wens van een detaillist (Bristol) zich te willen vestigen buiten het winkelcentrum, in de periferie. De raad van de gemeente Appingedam stelde zich op het standpunt dat de vestiging van de detailhandel voorbehouden diende te zijn aan het winkelcentrum en dat in de periferie slechts perifere detailhandel (tuincentra, bouwmarkten, wooninrichters, detailhandel in volumineuze goederen) toegestaan was.  

De eigenaar van het pand waar Bristol zich wilde vestigen was het daar niet mee eens en is tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Stad Appingedam" in beroep opgekomen bij de Raad van State, onder meer stellende dat het standpunt van de gemeente in strijd zou zijn met de Europese Dienstenrichtlijn. Indien en voor zover detailhandel onder de Dienstenrichtlijn valt, geldt dat er een vrije vestiging mogelijk moet zijn en kan volgens de eigenaar het bestemmingsplan de vrije vestiging van de detailhandel niet tegengaan.  

De Raad van State heeft aan het Europese Hof zogenaamde prejudiciële vragen gesteld, welke erop neerkomen dat het de vraag is of de Europese Dienstenrichtlijn van toepassing is op voorschriften in een bestemmingsplan ter regulering van de detailhandel, die de leefbaarheid van het stadscentrum willen behouden en leegstand willen tegengaan. Zijn die voorschriften in strijd met de Europese Dienstenrichtlijn?  

Het Europese Hof van Justitie oordeelt dat activiteiten bestaande in detailhandel in goederen voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn een dienst vormen. Dat betekent dat de bepalingen van de Dienstenrichtlijn over de vrijheid van vestiging van dienstverrichters ook van toepassing zijn op een situatie waarvan alle relevante aspecten zich binnen een lidstaat afspelen. Het Hof oordeelt evenwel dat de Dienstenrichtlijn zich niet verzet tegen voorschriften van een bestemmingsplan "die de activiteit bestaande in niet-volumineuze detailhandel in geografische gebieden buiten het stadscentrum van die gemeente verbieden, mits alle in artikel 15, lid 3 van de Dienstenrichtlijn genoemde voorwaarden vervuld zijn". Die voorwaarden betreffen het discriminatieverbod, noodzakelijkheid en de evenredigheid. De nationale rechter dient te beoordelen of aan die voorwaarden is voldaan.  

De Raad van State dient derhalve nog te beoordelen of de gemeente Appingedam met het verbod van de reguliere detailhandel in de periferie van de gemeente past binnen deze voorwaarde.  

De toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn op detailhandelsactiviteiten kan overigens ook andere consequenties hebben, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van winkeltijden e.d.  

Voor wat betreft de toetsing van het bestemmingsplan wordt de zaak derhalve nog vervolgd!

Dit bericht is geplaatst op Vrijdag 2 februari 2018 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: