Actualiteiten

Detailhandel en bestemmingsplan

Eerder heb ik u bericht dat op 30 januari het Europese Hof van Justitie in Luxemburg een uitspraak gedaan heeft over de mogelijke vestiging van winkelruimte in relatie tot het bestemmingsplan. Het Hof heeft in die uitspraak prejudiciële vragen beantwoord die door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan het Hof waren voorgelegd over de Europese Dienstenrichtlijn (richtlijn 2006/123) in relatie tot detailhandel en goederen.

De Raad van State heeft inmiddels in de zaak waarover de prejudiciële vragen gesteld waren op 20 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2062) een uitspraak gedaan.  

Aan de orde was het bestemmingsplan "Stad Appingedam", waarin voorzien wordt in brancheringsregels, die ertoe strekken dat alleen detailhandel in volumineuze artikelen toegestaan is op de in het bestemmingsplan aangewezen percelen. De detailhandel in volumineuze artikelen betreft de detailhandel in meubels, bouwmaterialen, tuincentra, etc. Op de locatie die speelde in de procedure (het woonplein) is reguliere detailhandel volgens dit bestemmingsplan niet toegestaan. De gemeente stelt dat het toelaten van reguliere detailhandel buiten het winkelgebied negatieve gevolgen heeft voor het winkelgebied in het centrum. 

De eigenaar van winkelpanden aan het woonplein, die in beroep is gegaan tegen het bestemmingsplan, stelt dat deze brancheringsregels in strijd zijn met de Europese Dienstenrichtlijn.  

Zoals hiervoor gemeld heeft het Europese Hof van Justitie op basis van de prejudiciële vraag geoordeeld dat detailhandel een dienst is als bedoeld in de Europese Dienstenrichtlijn. De vraag is dan vervolgens of de brancheringsregels uit het bestemmingsplan "Stad Appingedam" aan de voorwaarden van de dienstenrichtlijn voldoen. Die voorwaarden komen op het volgende neer:
  1. Discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van de statutaire zetel;
  2. Noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
  3. Evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen, worden bereikt. 
De Afdeling toetst de brancheringsregels aan deze eisen uit de Dienstenrichtlijn.  De Afdeling overweegt dat het aspect "noodzakelijkheid" dat met de brancheringsregeling beoogd wordt, voortvloeit uit de wens van de raad om een mix van winkels in het centrum te behouden of te bevorderen die is afgestemd op de behoefte en het koopgedrag van de consument. Beoogd wordt een aantrekkelijk centrum te bevorderen, om de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en leegstand in het binnenstedelijk gebied te voorkómen. Volgens de Afdeling heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het nastreven van deze doelen nodig is vanuit het oogpunt van bescherming van het stedelijk milieu, temeer wanneer -zoals in Appingedam- sprake is van een verhoudingsgewijs hoog leegstandspercentage aan winkelruimte in het stadscentrum. Hiermee is volgens de Afdeling voldaan aan de voorwaarde van noodzakelijkheid uit de Dienstenrichtlijn. 

Voor wat betreft de evenredigheid stelt de Afdeling dat dit bestemmingsplan niet voldoet aan die eis die voortvloeit uit de Dienstenrichtlijn. De stelling van de raad dat het loslaten van de brancheringsregeling in het bestemmingsplan zal leiden tot een minder aantrekkelijke mix van winkels in het centrum, wordt niet onderbouwd door middel van een analyse met specifieke gegevens, maar is gebaseerd op algemene ervaringsregels.

De Afdeling stelt vast dat er sprake is van een motiveringsgebrek en geeft de raad van de gemeente Appingedam via de zogenaamde bestuurlijke lus de gelegenheid om een betere motivering te geven aan de evenredigheid van de brancheringsregeling. De Afdeling verwacht van de raad dat aan de hand van nauwkeurige statistische gegevens of met andere middelen die objectief zijn, dat bewijs geleverd wordt om te komen tot het oordeel dat de gekozen middelen geschikt zijn om de nagestreefde doelstellingen te bereiken.  

De Afdeling geeft aan de raad een handvat door het navolgende te overwegen:
"De raad had bijvoorbeeld resultaten van onderzoek naar de effectiviteit van ruimtelijk detailhandelsbeleid op landelijk, provinciaal of lokaal niveau, of gegevens ontleend aan koopstromenonderzoek, voor zover deze onderzoeken toepasbaar zijn op de specifieke situatie in Appingedam, in ogenschouw kunnen nemen. Daarbij had de raad rekening kunnen houden met beschikbare (onderzoeks)gegevens over de effecten van detailhandels beleid in krimpregio's, zoals de regio waarin Appingedam is gelegen, en -indien voorhanden- meer in het bijzonder de effecten van branchering in dergelijke regio's.

Met deze overweging ten overvloede zal de praktijk zijn weg moeten vinden bij bestemmingsplannen met een bepaalde branchering van detailhandel.  

De vraag is hoe de raad van de gemeente Appingedam hiermee omgaat. Dat zullen we zien in de einduitspraak; wordt derhalve weer vervolgd. 

Dit bericht is geplaatst op Donderdag 21 juni 2018 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: