Actualiteiten

Aansprakelijkheid eigenaar terrein bij dump drugsafval?

In een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 6 augustus 2014, JOM 2014/918, heeft de hoogste bestuursrechter zich uitgelaten over de vraag of een eigenaar verantwoordelijk gehouden kan worden voor de kosten voor het opruimen van gedumpt synthetisch drugsafval. 

De casus is als volgt. 

Op een perceel hebben derden vaten synthetisch drugsafval gedumpt. 

Het College van B&W van de gemeente Valkenswaard, waarbinnen het perceel is gelegen, is vervolgens overgegaan tot het afvoeren van de vaten en heeft daarbij zogenaamde spoedeisende bestuursdwang toegepast. Dit betekent, dat er bestuursdwang is toegepast zonder de eigenaar van het perceel eerst te waarschuwen en zonder deze in de gelegenheid te stellen om zelf actie te ondernemen. 

Daarbij heeft het College van B&W de kosten, zij het achteraf, verhaald op de eigenaar van het perceel, zich daarbij op het standpunt stellende, dat de eigenaar van het perceel in strijd gehandeld heeft met de zorgplicht ex artikel 13 van de Wet bodembescherming. Als tweede grond stelde het College dat de eigenaar zich schuldig had gemaakt aan het verbod in artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer, waarin is bepaald, dat het verboden is zich van afvalstoffen te ontdoen door deze -al dan niet in verpakking- buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. 

De Afdeling Bestuursrechtspraak stelde vast, dat de eigenaar geen enkele betrokkenheid had bij de dumping van het drugsafval en dat er uit dien hoofde ook geen sprake kon zijn van een overtreding van de zorgplicht van de Wet bodembescherming. De zorgplicht van de Wet bodembescherming is volgens de Afdeling direct gerelateerd aan degene die handelingen verricht in de zin van (de artikelen 6 t/m 11 van) de Wet bodembescherming (storten, bewerken en dergelijke). Zonder dat die handelingen uitgevoerd worden, is er geen sprake van een zorgplicht voor de eigenaar. De eigenaar van het onderhavig perceel had geen handelingen verricht in de zin van de Wet bodembescherming en kon derhalve dan ook niet als overtreder van de zorgplicht aangemerkt worden. 

Eenzelfde redenering hanteerde de Afdeling Bestuursrechtspraak ten aanzien van het hiervoor genoemde stortverbod uit de Wet milieubeheer. Niet was gebleken, dat de eigenaar van het perceel, waarop de vaten drugsafval gedumpt waren, enige betrokkenheid had gehad bij het storten daarvan, zodat de eigenaar niet kon worden aangemerkt als overtreder van het stortverbod. 

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich evenwel in een uitspraak van 22 juni 2014, welke uitspraak gepubliceerd zal worden in het novembernummer van het Tijdschrift voor gezondheidsrecht en milieuaansprakelijkheid 2014 (nummer 3) uitgesproken over asbestdeeltjes die als gevolg van een brand op een naburig perceel terecht waren gekomen. Dit speelde in de gemeente Heeze. Daarbij had het College van B en W eveneens spoedeisende bestuursdwang toegepast en de kosten verhaald op de eigenaar van het aangrenzende perceel. Als grondslag werd artikel 13 Wet bodembescherming en artikel 1a, lid 1 van de Woningwet gehanteerd.

Ten aanzien van de zorgplicht ex artikel 13 van de Wet bodembescherming oordeelde de Afdeling in lijn met de hiervoor genoemde redenering dat er geen sprake was van een handeling in de zin van de Wet bodembescherming, zodat er op die basis geen bevoegdheid was. Ten aanzien van de zorgverplichting uit de Woningwet oordeelde de Afdeling evenwel anders! 

Artikel 1a lid 1 van de Woningwet geeft de eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein een zorgverplichting ten aanzien van gevaar voor volksgezondheid of veiligheid als gevolg van de staat van het bouwwerk, open erf of terrein en in lid 2 een zorgverplichting in geval van gevaar voor volksgezondheid en veiligheid als gevolg van bouwen, gebruik of slopen. Ten aanzien van de asbestverontreiniging oordeelde de Afdeling dat er sprake was van een gevaar voor volksgezondheid of veiligheid als gevolg van de staat van het openbare erf, welke voortduurde, zodat aangenomen werd dat de eigenaar zijn zorgverplichting te dien aanzien geschonden had. 

Een dergelijke redenering zou ook kunnen gelden voor de dump van chemisch afval afkomstig van drugslaboratoria. 

De gemeente Valkenswaard had zich in de kwestie die hiervoor omschreven wordt, evenwel niet gebaseerd op de zorgverplichting voortvloeiende uit artikel 1a lid 1 of lid 2 van de Woningwet. De kans dat de Afdeling anders geoordeeld zou hebben indien het College van B en W van de gemeente Valkenswaard zich wél op dat standpunt gesteld zou hebben, is niet denkbeeldig. 

De conclusie is dat kosten van het opruimen van drugsafval niet zonder meer afgewenteld kunnen worden op de eigenaar van een perceel! Daarvoor is noodzakelijk dat de gemeente een juiste grondslag kiest. Het meeste succes lijkt de gemeente te hebben indien en voor zover de bestuursdwang met kostenverhaal gebaseerd wordt op de zorgverplichting van artikel 1a van de Woningwet. Niet relevant is of de eigenaar van het perceel enige betrokkenheid heeft gehad bij de dumping van het drugsafval. De staat van het perceel dat een gevaar voor veiligheid en gezondheid oplevert lijkt voldoende! 

Dit bericht is geplaatst op Dinsdag 21 oktober 2014 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: