Actualiteiten

Bodem(voor)recht Belastingdienst

Op 18 september 2012 heeft de Minister van Financiën een voorstel gedaan tot wijziging van enkele belastingwetten, ook wel aangeduid als "Belastingplan 2013” (wetsvoorstel 33402). Een onderdeel van dit Belastingplan vormt de toevoeging van artikel 22bis aan de Invorderingswet 1990 (hierna 'Inv. 1990'). Het voorgestelde artikel heeft betrekking op het bodemrecht van de fiscus, ook wel bodemvoorrecht genoemd.

Het bodemrecht van de fiscus houdt in dat zij bij het invorderen van onbetaald gebleven belastingschulden bij ondernemers beschikt over een specifiek verhaalsrecht. Dankzij dit verhaalsrecht kan de fiscus zich verhalen op bepaalde roerende zaken die zich bevinden op de bodem die de belastingschuldige in gebruik heeft, te weten de bedrijfsruimte. 

Om roerende zaken te kunnen aanmerken als bodemzaken, dienen de zaken allereerst dienstbaar te zijn aan de bodem. Daarvan is sprake indien de zaken dienen tot gebruik van het vertrek waardoor dit vertrek bedoeld is, bijvoorbeeld de kassa’s in een winkel. Tevens dienen bodemzaken te zijn bedoeld voor duurzaam gebruik. Bij bodemzaken kan worden gedacht aan machines en de inventaris. Bij de uitoefening van het bodemrecht door de fiscus is overigens niet van belang of de zaken eigendom zijn van de belastingschuldige of van een derde. 

Tegenover het bodemrecht van de fiscus staan de zekerheidsrechten van zekerheids-houders, zoals het pandrecht op roerende zaken van een kredietverstrekker. Het bodemrecht van de fiscus gaat in rang boven deze zekerheidsrechten. Het verschaft de fiscus dus een sterkere verhaalspositie dan de kredietverstrekker (Hierna wordt ‘de kredietverstrekker’ gebruikt als voorbeeld van zekerheidshouder. Een zekerheidshouder kan echter iedere partij zijn die zekerheden heeft om haar verhaalsrecht op verstrekt krediet of anderszins veilig te stellen).

De fiscus kan volgens zijn verhaalspositie de huidige wetgeving alleen uitoefenen en veilig-stellen door (tijdig) beslag te leggen op de bodemzaken, het bodembeslag. De effectiviteit van dit bodembeslag staat of valt met de timing ervan. De kredietverstrekkers beseffen dit terdege. Het komt dan ook regelmatig voor dat kredietverstrekkers een bezitloos pandrecht op roerende zaken – ook de bodemzaken – omzetten in een vuistpand. Door de bodem-zaken uit de macht van de ondernemer te halen en in hun eigen macht te brengen vóórdat de belastingdeurwaarder beslag heeft kunnen leggen, stelt de kredietverstrekker zijn pandrecht veilig. Het gevolg is dat de fiscus zijn bodemrecht niet meer kan uitoefenen. 

De belastingschuldige kan de bodem (de bedrijfsruimte) vóór de beslaglegging door de fiscus ook gaan verhuren aan een derde. Het gevolg is dat de fiscus geen bodembeslag meer kan leggen, nu de bodem op dat moment niet langer meer in gebruik is door de belastingschuldige. 

Artikel 22bis Inv. 1990 is erop gericht deze zogenoemde "verijdelingsconstructies” een halt toe te roepen, waardoor in mindere mate hoeft te worden afgeschreven op openstaande belastingschulden. Met het nieuwe artikel 22bis Inv. 1990 ontstaat een "mededelingsplicht” voor kredietverstrekkers. Deze plicht houdt in dat bijvoorbeeld de bank met een pandrecht, zodra deze haar recht op de (bodem)zaken wenst uit te oefenen, de fiscus dient te informeren over dit voornemen. Na ontvangst van de mededeling van de bank dient de fiscus binnen vier weken maatregelen te treffen indien hij zijn verhaalsrecht op de bodemzaken wil uitoefenen. Indien de fiscus ofwel aangeeft geen gebruik te maken van zijn verhaalsrecht dan wel uiterlijk nadat de termijn van vier weken is verstreken, kan de bank zonder belemmeringen haar recht uitoefenen. Kortom, de bank dient, op het moment dat zij wil overgaan tot uitwinning van haar zekerheidsrechten, nadrukkelijk rekening te houden met het verhaalsrecht van de fiscus. 

De vernieuwde mededelingsplicht brengt onder andere het volgende met zich mee: 
  1. Kredietverstrekkers zullen bedrijven minder langer laten doormodderen dan nu het geval is dankzij de mogelijkheid van verijdelingsconstructies; 
  2. De fiscus zal in een eerder stadium worden betrokken bij gesprekken van de ondernemer met kredietverstrekkers; 
  3. In faillissementen zullen meer bodemzaken in de boedel terechtkomen, omdat krediet-verstrekkers verhaalsobjecten minder vaak buiten de boedel om tot zich zullen nemen. 

Indien de kredietverstrekker niet voldoet aan de mededelingsplicht wordt een forse sanctie opgelegd. De kredietverstrekker dient de opbrengst c.q. de waarde van de bodemzaken te vergoeden aan de fiscus tot ten hoogste het bedrag van de (ten tijde van de verkoop of de handelingen bestaande) belastingschulden. De maatregel treedt volgens het voorstel met ingang van 1 januari 2013 in werking voor nieuwe belastingschulden en voor nieuw te vestigen zekerheidsrechten. Voor bestaande zekerheidsrechten geldt een overgangstermijn van drie maanden. 

Inmiddels is stevige kritiek geuit op het voorstel. De wijziging van het bodemrecht zou leiden tot een ingrijpende versterking van de fiscus ten koste van de kredietverstrekkers, waardoor laatstgenoemden minder snel geneigd zullen zijn krediet te verstrekken. Door de mededelingsplicht wordt het voor kredietverstrekkers immers aanzienlijk lastiger het verschafte krediet veilig te stellen middels uitoefening van haar zekerheidsrechten, nu de fiscus eerst de kans krijgt hiertoe over te gaan (Mr. Dr. A.J. Tekstra, De geforceerde restyling van het bodemrecht, FIP oktober 2012 (nr. 7), pag. 229).

Gelet op de bestaande discussie – enerzijds wenst de fiscus haar verhaalspositie te versterken en anderzijds vrezen kredietverstrekkers voor (een deel van) hun zekerheden – is het vooralsnog de vraag of het wijzigingsvoorstel definitief zal worden doorgevoerd. Wij houden u van de ontwikkelingen op de hoogte.

Dit bericht is geplaatst op Vrijdag 29 augustus 2014 .