Actualiteiten

Onterechte sluiting bedrijfspand door burgemeester

Op 12 april 2017 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geoordeeld dat de burgemeester van Den Haag ten onrechte gebruik heeft gemaakt van diens bevoegdheid om een pand te sluiten wegens een overtreding van de Opiumwet, zoals geregeld in artikel 13b van Opiumwet. 

In deze zaak werd in 2015 door de Belgische autoriteiten ruim 40 kilogram cocaïne in beslag genomen. De cocaïne was aangetroffen in dozen met groenten die geadresseerd waren aan het bedrijf dat in het betreffende pand gevestigd was. De dozen zijn vervolgens "gecontroleerd doorgelaten". De dozen werden dus – zonder de cocaïne – gevolgd om te zien voor wie de cocaïne bestemd was. 

Uiteindelijk heeft de eigenaar van het bedrijf de dozen met groenten naar het pand gereden. Op het moment dat hij de dozen uitlaadde, heeft de politie hem aangehouden.  

De burgemeester stelt dat er reden was om het pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten. Zonder ingrijpen van de politie zouden de drugs immers in het pand zijn afgeleverd. De rechtbank heeft in eerste aanleg geoordeeld dat de burgemeester hiertoe niet bevoegd was, omdat de levering niet daadwerkelijk had plaats gevonden.  

In hoger beroep heeft de burgemeester aanvullend aangevoerd dat er ook andere aanwijzingen waren op grond waarvan het aannemelijk was dat vanuit het pand drugs werden verhandeld. Zo was er een anonieme melding waaruit dit bleek. Ook was eerder een andere levering cocaïne in beslag genomen die eigenlijk in dit pand afgeleverd zou worden. Als laatste stelde burgemeester dat het pand ook op grond van algemene bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang (artikel 5:7 Awb) gesloten had kunnen worden.  

De ABRvS oordeelde dat een burgemeester de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet alleen mag gebruiken als zich daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking van drugs voordoet. Een poging daartoe is onvoldoende. In deze zaak zijn in het pand immers geen drugs aangetroffen. De anonieme melding en de eerder onderschepte lading drugs zijn geen aanwijzingen van een daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking.  

Ook het beroep van de burgemeester op artikel 5:7 van de Awb werd verworpen. Zo'n preventieve last onder bestuursdwang kan alleen worden opgelegd als er sprake is van een concreet gevaar voor overtreding van de Opiumwet. Dat is in dit geval niet aan de hand omdat de cocaïne inmiddels in beslag was genomen. Er was dus geen concreet gevaar meer.

Dit bericht is geplaatst op Woensdag 7 juni 2017 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: