Actualiteiten

Bewijs in bestuurlijke boetezaken

Op 13 juli 2015 heeft de hoogste bestuursrechter (ABRvS) de aandacht van de regering gevraagd voor de rechtsbescherming van burgers bij oplegging van bestuurlijke boetes. Steeds vaker werden zware en complexe overtredingen afgedaan met een bestuurlijke boete in plaats van een strafrechtelijke vervolging. Het advies hield onder meer in dat er een betere afstemming moet komen tussen het bestuurlijke boeterecht en het strafrecht.  

Eén van de aspecten van rechtsbescherming van de burger is de manier waarop de overheid het bewijs vergaart tegen de burger. In het strafrecht gelden hiervoor strikte regels, terwijl deze regels over het algemeen in het boeterecht niet gelden. 

Tegen die achtergrond heeft de ABRvS het in een specifieke zaak nodig gevonden dat er eens goed wordt gekeken naar de wijze waarop het bewijs wordt vergaard in het bestuurlijke boeterecht. Daarom is de advocaat-generaal gevraagd hierover een conclusie te nemen. Deze conclusie zal uiteindelijk worden meegenomen in de beslissing die de grote kamer van de ABRvS neemt in deze specifieke zaak, welke uitspraak dan vervolgens regels schept voor de oplegging van toekomstige bestuurlijke boetes.  

De advocaat-generaal heeft de conclusie op 12 april 2017 genomen. In deze specifieke zaak werd een bedrijf beboet omdat er Roemeense vreemdelingen voor het bedrijf werkten zonder dat er een tewerkstellingsvergunning was verleend. Het ging om een boete van € 768.000,-. De overtreding was voornamelijk gebaseerd op verklaringen van de Roemenen. Bij de verhoren was echter geen beëdigde tolk aanwezig. Ook waren niet alle verklaringen ondertekend door de Roemenen. De advocaat van het bedrijf heeft later dezelfde Roemenen een verklaring laten afleggen bij de notaris en deze verklaringen waren op essentiële punten anders én in het voordeel van het bedrijf.  

De rechtbank heeft geoordeeld dat de boeterapporten en de verklaringen niet onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en heeft deze als bewijs gebruikt. Daarbij werd opgemerkt dat men in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een boeterapport. Dat de Roemenen bij de notaris anders hebben verklaard, wil nog niet zeggen dat hun eerste verklaring onjuist was.  

De advocaat-generaal stelt in de conclusie voorop dat voor de bewijsvergaring in het bestuurlijke boeterecht meer aansluiting moet worden gezocht bij het strafrecht.  

Dit betekent dat een verklaring van een getuige niet per se ondertekend hoeft te worden. Is de verklaring echter niet ondertekend en wordt de inhoud van die verklaring later betwist, dan is er ruimte om hierover te discussiëren. Dan is het aan de vermeende overtreder om aan te tonen dat en in hoeverre die verklaring onjuist is. Als de getuige zijn verklaring wel heeft ondertekend, dan is er bijna geen ruimte meer om aan te tonen dat de weergave van die verklaring onjuist is. Dit staat overigens los van de geloofwaardigheid van een getuigenverklaring.  

Als een getuige later een andere verklaring heeft afgelegd, dan moet deze latere verklaring in de procedure meegenomen worden. Het is dan wel aan de vermeende overtreder om aan te tonen dat en in hoeverre die latere verklaring de juiste is.  

De conclusie gaat niet zover dat ook in het bestuursrecht de eis geldt dat overtreders en getuigen worden gehoord met behulp van een beëdigde tolk, terwijl het strafrecht deze eis wel stelt.  

De advocaat-generaal heeft als laatste overwogen dat de bestuurlijke lus in het boeterecht mag worden toegepast. De bestuursrechter geeft dan het bestuursorgaan de opdracht om een gebrek in de besluitvorming te herstellen. Dit mag volgens de advocaat-generaal echter niet altijd als het gaat om een fout in de bewijsvergaring. Dan moet men terughoudend zijn. Deze gedachtegang kan vergeleken worden met het bewijsrecht in het strafrecht. Als de strafrechter tot de conclusie komt dat het Openbaar Ministerie (OM) onvoldoende bewijs heeft geleverd voor een veroordeling, dan volgt er vrijspraak en krijgt het OM in beginsel niet eerst nog een herkansing.  

Nu is het wachten op de uitspraak van de grote kamer. Deze uitspraak zal hopelijk nadere regels scheppen voor bewijsvergaring in het bestuurlijk boeterecht.

Dit bericht is geplaatst op Vrijdag 21 april 2017 .

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: