Actualiteiten

Wanneer mag de rechter terugkomen op een tussenuitspraak?

Rechters wijzen zowel in de bestuursrechtelijke als in de civielrechtelijke procedures tussenuitspraken. Daarin worden vaak bindende eindbeslissingen opgenomen. De vraag is wanneer de rechter op een dergeljke bindende eindbeslissing mag terugkomen. 

In de procedures bij de civiele rechter heeft de Hoge Raad bepaald dat de civiele rechter bij uitzondering mag terugkomen op een bindende eindbeslissing die in een tussenuitspraak is gedaan. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat op een bindende eindbeslissing in een tussenuitspraak kan worden teruggekomen indien blijkt dat die beslissing evident berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Een bindende eindbeslissing berust naar het oordeel van de Hoge Raad onder meer op een evident onjuiste feitelijke grondslag indien de burgerlijke rechter "inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onjuiste feitelijke lezing van één of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn" (Hoge Raad 26 november 2010, NJ 2010/634 en Hoge Raad 4 september 2015, NJ 2015/354). 

De bestuursrechter hanteert een ander criterium. 

Ook de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de hoogste bestuursrechter) oordeelt dat de rechtbank in een bestuursrechterlijke procedure slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. De Afdeling stelt daarbij dat er sprake is van een dergelijk bijzonder geval indien en voor zover de feitelijke veronderstelling in de tussenuitspraak van de rechter evident onjuist is geweest. Daarnaast kan de rechter terugkomen op een tussenuitspraak op grond van zogenaamde nova. Dit zijn nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 8:119 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb). 

Kortgezegd zijn dit feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak en die bij de uitspraak niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend hadden kunnen zijn en, als zij bekend zouden zijn geweest, tot een andere uitspraak geleid zouden hebben. Deze lijn is onlangs bevestigd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 21 oktober 2015, AB 2016/74. 

Jammer is dat de Hoge Raad en de Afdeling Bestuursrechtspraak verschillende criteria hanteren.

Dit bericht is geplaatst op Dinsdag 16 februari 2016 .